Oorzaken, symptomen en stadia


Oorzaken, Symptomen en Stadia

Totnogtoe is men er niet in geslaagd met zekerheid de oorzaken van Alzheimer te achterhalen. Wel zijn enkele risicofactoren bekend: leeftijd, familiale voorgeschiedenis van syndroom van Down, schedeltrauma?s en erfelijkheid (als één of ander familielid leed aan de ziekte van Alzheimer).
Lange tijd werd gedacht dat aderverkalking in de hersenen de belangrijkste oorzaak was van Alzheimer, maar inmiddels is gebleken dat dit niet direct met de ziekte te maken heeft.
Zoals gezegd is Alzheimer een pathologie die meer vrouwen treft dan mannen: de incidentie bij vrouwen is 1,5 tot 3 keer hoger dan bij mannen, na correctie voor de leeftijd.
Doordat vrouwen gemiddeld 7 jaar langer leven dan mannen, is het zichtbare verschil tussen mannen en vrouwen nòg groter. Op 65 jaar hebben 15 vrouwen tegenover 10 mannen de ziekte en op 85 jaar zijn deze cijfers gestegen tot 25 vrouwen tegenover 10 mannen.

De geneeskundige kennis betreffende de ziekte van Alzheimer neemt voortdurend toe.
Er is eensgezindheid bij de onderzoekers omtrent de erfelijkheid van zeldzame Alzheimervarianten die zich voordoen tussen 45 en 55 jaar. Maar de klassieke, meest frequente vorm manifesteert zich na 65 jaar.
Drie genen die met de ziekte in verband worden gebracht zijn sinds korte tijd geïdentificeerd. Hoewel het vooral gaat om genen die de vroegtijdige variant van Alzheimer uitlokken, kan toch een nieuwe behandelingspiste worden geopend als men erin slaagt het mechanisme te ontrafelen, waardoor deze genen de vorming van plaques bevorderen.
Van bepaalde levensomstandigheden is al aangetoond dat het co-factoren zijn bij de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer. Hiertoe behoort het sociaal niveau, maar ook de toegang tot zorgverstrekking voor en vlak na de geboorte.
Het ontbreken van intellectuele prikkels zou eveneens een aandeel hebben in het ontstaan van de ziekte.

Symptomen van Alzheimer

Eén van de belangrijkste kenmerken van de ziekte is het progressief verlies van de hersenfuncties. De patiënt krijgt het steeds moeilijker om signalen van de buitenwereld op te vangen. Deze achteruitgang leidt na 7 tot 10 jaar tot mentaal onvermogen om dagelijkse taken te verrichten.

Geheugen

In eerste instantie wordt de ziekte gekenmerkt door het vergeten van recente gebeurtenissen. Waar ben ik gisteren geweest? Met wie heb ik daarjuist in de winkel gepraat? De patiënt ondervindt moeilijkheden om nieuwe gebeurtenissen te registreren. Dit heeft voor gevolg dat hij meer en meer problemen krijgt om zich in ruimte en tijd te situeren.
Stilaan verliest de zieke ook de herinnering aan feiten die langer geleden gebeurd zijn. Vaak is hij zich daarvan bewust en vindt hij smoesjes uit om zijn falen te verbergen. Daarbij neemt hij soms een loopje met zijn omgeving, die zich in de eerste periode van geen kwaad bewust is.

Communicatie

De patiënt ondervindt grote moeite om woorden en begrippen te vatten. Sommige dagelijkse woorden herinnert hij zich niet en vervangt die door andere die gelijkluidend zijn of een gelijkaardige betekenis hebben. Nieuwe termen kan hij niet onthouden of gebruiken. Hij is slechts in staat tot oppervlakkige gesprekken over futiele onderwerpen. Dezelfde fenomenen doen zich voor bij het schrijven.
Het wordt voor de zieke steeds moeilijker om de betekenis van voorwerpen, geluiden of structuren te snappen. Hij heeft last bij het coördineren van zijn bewegingen en kan geen expressieve bewegingen nabootsen. Hij heeft moeite om zijn aandacht op één persoon te richten.

Gedragsproblemen

De zieke slaagt er niet in zijn emoties onder controle te houden. Hij gaat snel over van krampachtig lachen naar huilen, is wisselvallig van humeur en evolueert vlug naar depressie. Hij verliest zijn gevoel voor tact en seksuele beheersing. Zijn gedrag en gebaren worden erg automatisch. Hij wordt impulsief en handelt soms op totaal onberedeneerde manier.
De zieke wordt egocentrisch en bekommert zich steeds minder om anderen. Hij kan zich niet meer inleven in de denkwereld van naasten of verwanten, verliest zijn gevoel voor verantwoordelijkheid en heeft geen besef meer van de draagwijdte van gebeurtenissen of van zijn daden. Hij kan zelfs agressief gedrag ontwikkelen en zijn medemensen fysiek aanvallen.
Uiteindelijk aanvaardt de patiënt zichzelf niet meer, verwaarloost zijn lichaamshygiëne, leeft verkeerd (staat ?s nachts op of gaat overdag slapen) en eet onevenwichtig.

Stadia van de ziekte

De ziekte van Alzheimer kent drie stadia, die achtereenvolgens een ernstige achteruitgang betekenen van de geestelijke en lichamelijke conditie.
Ze kan jaren aanslepen, maar het
tempo waarin ze zich ontwikkelt verschilt van patiënt tot patiënt.

Stadium 1

In dit eerste stadium toont de patiënt licht geheugenverlies, humeurschommelingen en een vertraagd leer- en reactievermogen. De patiënt is nog in staat eenvoudige taken zelfstandig uit te voeren, maar bij complexere taken heeft hij hulp nodig. Praten en begrijpen gaan langzamer, hij raakt vaak de draad van een verhaal kwijt en blijft midden in een zin steken.

De bewustwording van deze mentale achteruitgang maakt de Alzheimerpatiënt depressief, prikkelbaar en rusteloos.

Stadium 2

In dit stadium steken ernstige gebreken de kop op. De patiënt herinnert zich alleen het verre verleden en geen recente gebeurtenissen. De gevorderde toestand van de ziekte tast het vermogen aan om zich te oriënteren. Verzorgers moeten duidelijke bevelen geven en vaak herhalen. Terwijl de ziekte alsmaar verder evolueert, verzint de patiënt zijn eigen taal en herkent geen bekende gezichten meer.

Stadium 3

De persoonlijkheid van de patiënt vervaagt en verdwijnt langzaam. Het geheugen en het herkenningsvermogen verzwakken in erge mate. De patiënt verliest de controle over zijn blaas en heeft behoefte aan permanente verzorging. De patiënt verliest zijn kauw- en slikvermogen en hij wordt zeer vatbaar voor o.a. longontstekingen, infecties en andere ziekten. Ademhalingsproblemen nemen toe, vooral bij bedlegerigheid. Deze terminale fase eindigt onverbiddelijk in een comateuze toestand, waarop de dood volgt.

De stadia volgen elkaar op in de tijd, maar nergens kan een scherpe grens worden getrokken tussen de ene fase en het begin van de volgende. Bij elke patiënt is de duur van de stadia verschillend.